Er was eens een tijd. De tijd was om. “Vrijdag,” zei ik.
“En nu…” hij keek ons allen aan, “is het af.” We knikten allemaal, we waren het eens.
“ZATERDAG!” riep de dappere ridder, zijn pluimhoed stak boven de mensenhoopjes uit.
“Zaterdag?” vroeg ik.
“Ja,” fluisterde hij, alsof het hem veel betekende.
“Nee.” Antwoorde ik. “NEE. Hoor je me?! NEE!”
“Waar komt zij vandaan?” vroeg de tourguide.
“Ja, Alaska, het is daar anders dan hier. Hier is het wel 3 graadjes kouder, of warmer, ligt eraan of het zomer of paard is, natuurlijk.”
“Ohja,” het was net alsof hij dom was.
“Wie is dom?” vroeg ik.
“Nee, niet alweer. Hou nou eens op met die gekkigheid.”
“Nee.”
“Nee.”
“Nee.”
“Alweer.”
“Niet.”
“Wat een boel ontkenningen.”
“Niet waar.”
“Nee, dat dacht ik al.”
“Ik heb je erin geluisd.”
“Niet.”
“Zie.” Ik wees naar de man. Ik had hem omgetoverd tot ontkenning.
“Ik kan je gedachtes niet lezen, het is niet alsof ik weet waar je overnadenkt.”
“Precies, dat is de bedoeling.”
“Niet.”
“Ik ben trots op je, wat leer je snel.”
Er liep toen een vrouw binnen met een roze jurk. Ze was dik, en dus niet zomaar dik, maar echt gewoon vet dik. Ze had wel drie dubbele boa’s aan van dezelfde kleur. Roze.
“Mevrouw, u heeft drie keer dezelfde – “
“Ja kind, dat weten we.”
“Bent u gek?” Vroeg ik.
“Nee, jij? Wat een gekke vraag, kind.”
“U zei: ‘Ja kind, dat weten we.’ Wie weet het nogmeer? Heeft u stemmen in u hoofd?”
“Nee joh, hoe kom je erbij.”
Daarna kwam er een jongeman binnen.
“Zo, die zou ik wel eens lekker – “
“Ik weet het,” zei ik.
“Hoe?”
“Ik kan gedachtes lezen, duh…” zei ik.
Je keek me aan met een opgetrokken wenkbrauw, Je bleek er echt geen zak van te snappen gewoon. “Team Edward… Duh.”
“Ik niet,” zei Je. Je staarde naar de jongeman. “Jij gaat niet alleen voor six-packs… of eight-packs… voor jou moet het de volle boel zijn… vierhondertweeentwintigmiljoenzeshonderdtweeentachtigbiljoen-packs.”
“Ja…” zei Je terwijl Je wegkwijlde.
En zo begon het verhaal van de overheerlijke lekkere gespierde man en Je.
“Dus…” zei ik.
“Ja kind, het is al lang geweest. Moet je niet naar bed?”
“Mevrouw, het is pas vijf uur, we moeten nog beginnen aan het avond diner,” vertelde ik.
“Hoeveel gangen, mijn kind?”
“Wel vijf denk ik.”
“Oh, wat enig. Zal mn lief zoontje wel leuk vinden.”
En daar eindigde het weer. Er liep een jongeman binnen, nee, niet diezelfde als daarnet, maar een andere… Hij was veel indrukwekkender, hij was fascinerend…
“Hoeveel…?” vroeg ik.
“Driehonderentwee.” Er kwam een blije, trotste glimlach achteraan. “Kindje! Kindje lief kom eens bij mama!”
“Mama, ik ben geen twaalf meer…” zei de jongen, het zou me verbazen als hij niet door de deuropening zou passen.
“Nee, maar gisteren nog wel he, zoveel verouder je niet in een dag.”
“Oh, gisteren? Gefeliciteerd nog,” zei ik beleefd.
“HOU JE BEK! HOU. JE. BEK! HOUJEBEK!” riep de dikke jongen.
“Sorry,” zei ik. Ik draaide naar de dikke vrouw toe. “Wat deed ik?”
“Niks, hij heeft humeurschommels. Die zijn nieuw… De gemeente had ze nog over dus we namen ze aan voor in de tuin. Ik dacht dat het doodgewone normale schommels waren… maar nee, speciaal voor je humeur.”
“Ah…” zei ik.
Ik heb een nieuwe tas. Zei de man op vrijdag. Ohnee wacht, vrijdag is allang voorbij. Het is al woensdag, volgende woensdag.
“Mijn tas heeft een tas.”
“Een tas die een tas vasthoud?” vroeg ik.
“Nee. Een tas die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft die een tas heeft”
“Wat een hoop tassen heeft u daar dan.”
“Nee.”